Een heel diepe buiging voor alle verpleegkundigen

Belevenissen van een uroloog als arts-assistent op de covid-IC van het Spaarne Gasthuis

“Volgens mij heb je dat veel vaker gedaan, je doet het zo handig”, zegt één van de IC-verpleegkundigen tegen mij. Mijn eerste nachtdienst op de IC. Een beademde patiënt moet worden gedraaid. Overdag en ’s avonds is er een draaiteam: medewerkers van de OK die onder leiding van een anesthesioloog de patiënten draaien. ’s Nachts is er geen draaiteam en doen we het zelf. De intensivist staat als dirigent aan het hoofdeinde en samen met een aantal verpleegkundigen draaien we in een aantal stappen de ruim 100 kilo zware patiënt van de buik op rug.

Als vanzelf had ik het oude laken onder hem opgerold en het nieuwe er tegenaan gelegd zodat hij er overheen gerold kon worden. Tijdens mijn studie heb ik een aantal jaar als verpleeghulp op de afdeling ongevalsheelkunde van het ErasmusMC (toen nog gewoon Dijkzigtziekenhuis) gewerkt. Dit omdraaien was dagelijkse kost bij patiënten met een gebroken heup. Nadat ik dat had verteld zei de IC-verpleegkundige: “Dan weet je vast ook nog wel hoe je hier snel een nieuwe sloop omheen doet.” En, ja hoor, ook dat was zo gebeurd. Tijdens die 3 jaar als verpleeghulp heb ik niet alleen geld verdiend, maar ook heel veel geleerd. Van billen wassen tot infusen prikken. Van bedden opmaken tot een rapportage schrijven. Van wonden verzorgen tot medicatie toedienen. En, niet te vergeten: thee, koffie en af en toe prikken uitdelen. Maar ik heb bovenal geleerd en ervaren hoe verpleegkundigen denken en werken. Is die ervaring noodzakelijk? Dat weet ik niet zeker. Ik weet wel dat het van mij een betere dokter heeft gemaakt. Van die tijd dateert mijn grote waardering voor het werk van verpleegkundigen. De praktische instelling, de no-nonsense mentaliteit, het hart voor de patiënten en de collegialiteit. En ik weet ook wel dat het niet alleen rozengeur en maneschijn is. Het is keihard werken, werk waar je weinig invloed op hebt. De ontwikkelingsmogelijkheden zijn beperkt. En er wordt – zeker momenteel – erg veel, wellicht te veel, van verpleegkundigen gevraagd. Niettemin merk ik dat de meeste verpleegkundigen enorm van hun vak houden. Tijdens mijn specialistenopleiding en als medisch specialist heb ik altijd geprobeerd contact met verpleegkundigen te houden. We hebben elkaar zo hard nodig. Verpleegkundigen zijn onze oren, ogen en handen. Als wij de dirigent zijn, zijn zij de musici. Zonder dirigent wordt het een rommeltje, maar zonder musici klinkt er helemaal geen muziek.

Tweets van Shadiro Monsanto, verpleegkundige in het Spaarne Gasthuis. Altijd mooie, persoonlijke observaties.

Ik heb in recente blogs al het een en ander geschreven over IC-verpleegkundigen. De interactie met IC-verpleegkundigen is intensiever dan op de normale afdeling omdat je op de IC veel meer aanwezig bent dan op de normale verpleegafdeling. Daar lopen we visite om vervolgens weer naar de polikliniek of OK te verdwijnen. Zeker als beginner op de IC, ben je vaak langer bij de patiënten bezig. Bovendien kun je aan bed heel veel van de verpleegkundigen leren. Wat blijft opvallen is het dubbele beeld van IC-zorg: aan de ene kant heel technisch, maar aan de andere kant ook puur menselijk. Dat zie je terug in het doen en laten van de IC-verpleegkundigen. Het ene moment sleutelen ze aan de instelling van het beademingsapparaat; het volgende moment strijken ze liefdevol het haar van de patiënt netjes omdat het bezoek zo komt.

Doordat ik nu meer contact heb met verpleegkundigen denk ik nu ook weer vaker – en met veel plezier – terug aan al die avonden en weekeinden als verpleeghulp. De bewondering is gebleven en eigenlijk nog toegenomen. Zeker in deze coronatijd. Hoe ze uren in beschermende kleding de patiënten verzorgen, medicatie toedienen en registraties verrichten. Als arts ga je toch vaker van de zaal af en loop je dus minder lang achtereen in die snikhete beschermende kleding rond. Maar ik heb niet alleen bewondering voor de IC-verpleegkundigen, maar voor alle verpleegkundigen. Op afdelingen, poliklinieken, in de thuiszorg en in verpleeghuizen.

Ik heb geen grote zak met geld en ik kan de werkdruk niet verlagen. Ik kan Corona helaas niet wegtoveren en ik kan het werk ook niet lichter maken. Maar wat ik wel kan, is een heel diepe buiging maken. Een buiging voor alle verpleegkundigen.

#eenbuigingvooralleverpleegkundigen

Overige covid-19 blogs

Moe… moe

Een uroloog als arts-assistent op de covid-IC van het Spaarne Gasthuis.

“Ik… Ben… Zo… Moe…” Ze zegt het, nauwelijks verstaanbaar. Ik moet haast liplezen en pas nadat ze het twee keer heeft herhaald, begrijp ik wat ze zegt. Ik voel me direct schuldig. Dat ene zinnetje kostte al zoveel inspanning en dan moest ze het voor mij nog een paar keer herhalen ook. Ze ligt er hulpeloos bij; zo’n klein vrouwtje in zo’n groot IC bed met daarnaast alle bewakingsapparatuur en infuuspompen.

Ze is een paar weken lang volledig beademd geweest. Eerder op de dag is bij haar het beademingsbuisje verwijderd. Ze ademde daarvoor al een tijdje spontaan met steeds minder ondersteuning van de beademingsapparatuur. Het ademen gaat gelukkig goed en lijkt haar niet teveel moeite te kosten. De bewakingsapparatuur laat zien dat er voldoende zuurstof in haar bloed zit. Ook de bloedgaswaardes (zie eerder blog) waren keurig. In haar neus zit nog wel een slangetje voor de sondevoeding. Ze is nog veel te zwak om zelf te kunnen eten. Een uurtje later zie ik dat de verpleegkundige haar helpt om wat te drinken. Het kost haar minuten om zelf een paar slokjes water door een rietje op te zuigen.

Ik… Ben… Zo… Moe

patiënte op de Covid-19 IC kort nadat het beademingsbuisje is verwijderd.

Een paar dagen later spreek ik iemand die nog aan het herstellen is van Corona. Hij had niet in het ziekenhuis gelegen, maar had het wel behoorlijk te pakken gehad. “De vermoeidheid is het ergste.” Hij vertelde me dat hij voor het eerst weer had geprobeerd te sporten. Dat lukte gewoon niet terwijl hij een paar weken geleden nog 4-5x per week sportte en een goede conditie had. Ook werkten lukte nauwelijks. Met pijn een moeite een paar uur per dag, kantoorwerk, vanuit huis.

Je hoort het op het nieuws, je leest het in de krant. Vermoeidheid na Corona is een groot probleem. Dat wist ik wel: ook ik heb die berichten gelezen. Maar, dat is ver weg, dat zijn anonieme berichten van anonieme mensen. Totdat je het met eigen ogen ziet, of hoort van een bekende. Dan krijgt het ineens een herkenbaar gezicht. Alsof het dan pas realiteit wordt. Dat blijft lastig met dit soort zaken. Je kunt het je gewoon niet goed voorstellen als je het zelf niet hebt meegemaakt of hebt gezien. Dat verklaart waarschijnlijk deels waarom we ons maar moeilijk aan de regels kunnen houden. Ergens in je achterhoofd blijft een stemmetje roepen: het is maar een virusje. Zo erg zal het toch niet zijn. Gelukkig, meestal is het inderdaad niet zo erg. Maar ik weet inmiddels dat het wel heel erg kan zijn.

Kort voor de overdacht loop ik nog een keer bij ‘mijn’ patiënte langs. Ze wenkt me met haar ogen. “Mag…”, fluistert ze, nog steeds nauwelijks verstaanbaar, “ik… wat… water?” Ik pak het bekertje dat op het kastje naast het bed staat. Net als eerder op de dag lukt het haar om een paar slokjes slokjes door het rietje te zuigen. Misschien verbeeld ik het mij, maar even, heel even, zie ik in haar ogen een glans, een spoor van levenslust. “Tot morgen.” “Tot… morgen…”

eerdere covid-19 blogs